Patchwork.
Ik ben er gek op.
Niet zozeer op de nieuwerwetse versie waarbij je in gespecialiseerde winkels allerlei kleurige, aangepaste stofjes kunt kopen om vervolgens naar een vast patroon een werkstuk te maken.
Nee, geef mij maar het origineel concept. Patchwork als kringloop.
Ten tijde van de pioniers in Amerika waren vele dingen schaars, ook katoenen stof. Bijgevolg bewaarde men van versleten of te kleine kledij de goede stukken in een scrapbag. Wanneer die snipperzak voldoende gevuld was, werden een heleboel kleine stukjes stof aan mekaar genaaid om er één grote "nieuwe" lap van te maken die dan de basis kon vormen voor bijvoorbeeld een deken.
Zo toegepast is het niet alleen een prachtige combinatie van recyclage en minutieus handwerk, het wordt op die manier ook een herinneringsdoek.
Ik verzamelde oude overhemden, kleertjes waar de kinderen uitgroeiden, afgedankte gordijnen, kreeg lapjes en overschotjes her en der en begon er jaren geleden zelf aan, op een luie vakantie in Frankrijk, onder enthousiaste begeleiding van An, die tovert met stofjes.
Het is leuk werk want het begint klein en daardoor kun je het overal mee naartoe nemen.
Ik naaide lapjes op treinen, in wachtkamers, tijdens nachtdiensten, op reis.
Er waren kampeervakanties met vrienden, waar bijna iedereen aangestoken werd door de microbe en zo'n lapje wilde aaneen naaien, kinderen incluis. Hun stuntelige steekjes zijn zeer herkenbaar. Aan de stofjes zitten dus allerlei herinneringen vast. De meeste aangenaam, andere wrang, genaaid in slapeloze nachten.
Ik heb ondertussen meer dan honderd lapjes, die later - als ik eens véél tijd heb - één grote sprei moeten worden.
Ik vind het een mooi symbool : stukjes en beetjes die elk apart niks voorstellen en ogenschijnlijk niet bij elkaar passen maar die toch een mooi en kostbaar geheel vormen als je ze samenlegt.
Zo groeit mijn eigenste, hoogst unieke patchworkdeken, zo traag en gevarieerd als het leven zelf.